Op deze pagina vind je een woordenlijst van alle speciale woorden en begrippen die met het orgel te maken hebben. De lijst wijst je ook de weg naar pagina’s met uitgebreidere uitleg. Klik daarvoor op de link van het woord. (Dit wordt de komende tijd nog verder gevuld.)

A

Abstracten: smalle lange latjes binnen in het orgel, die de toetsen met de ventielen verbinden, zodat je het orgel kunt bespelen vanaf de speeltafel.

B

Balgen: de pompen waarmee je lucht in het orgel blaast. De lucht komt eerst in een magazijnbalg. Daarna wordt de lucht doorgegeven aan de windlade.
Borstwerk: afdeling (verdieping) in een orgel ter hoogte van je borst, meestal met kleine orgelpijpen.
Bovenwerk: afdeling (verdieping) helemaal boven in een orgel, meestal met kleine orgelpijpen.

C

D

E

F

Fluiten: blaasinstrument (zoals de blokfluit en dwarsfluit) Ook groep orgelpijpen.
Front/Frontpijpen: gedeelte van een orgel dat je kunt zien (meestal aan de voorkant) De orgelpijpen in het orgelfront zijn meestal mooi glimmend en soms (gedeeltelijk) verguld (van een laagje goud voorzien). Vaak zie je veel houtsnijwerk (versieringen) in het orgelfront. Ook staan er wel beelden in het orgelfront.

G

H

Hoofdwerk: hoofdafdeling (of verdieping) van een orgel waarin de meeste orgelpijpen staan. Vaak de middelste verdieping van het orgel.
Houten orgelpijpen: orgelpijpen gemaakt van hout. Zijn meestal vierkant.

I

J

K

Klankkleur: bepaald soort geluid (van een orgelpijp of orgelregister).
Klavier: onderdeel van een orgel (of ander toets- instrument), het gedeelte waar de organist op speelt met zijn handen. Het toetsenbord heeft een rij witte en zwarte toetsen, zoals bij een piano of keyboard (of orgel).

L

M

Magazijnbalg: Grote balg waar de wind door de motor en ventilator of door de orgeltrapper in wordt geblazen. De magazijnbalg geeft de wind daarna heel gelijkmatig door aan de windlade.
Manuaal: onderdeel van een orgel (of ander toets- instrument), het gedeelte waar de organist op speelt met zijn handen.
Metalen orgelpijpen: orgelpijpen gemaakt van metaal, meestal lood vermengt met tin (zachte metaalsoort).

N

Noot/Noten: één of meer tonen van de muziek. Ook de benaming van muziek- tonen in een octaaf: b.v. do, re, mi, fa, sol, la, si, do. (c, d, e, f, g, a, b, c.)

O

Octaaf: letterlijk: 8. Aantal muzieknoten die achter elkaar b.v. op een toetsenbord zitten (8 hele noten en 5 halve noten).
Organist: persoon die een orgel bespeelt.
Orgel: blaasinstrument met orgelpijpen voor iedere toon, dat wordt bespeeld met toetsen.
Een orgel bestaat uit een ‘raamwerk’ of ‘stellingwerk’ (de constructie waar alles aan vast zit) de ‘wind- voorziening’ (waar de ‘orgelwind’ wordt gemaakt en vervoerd die nodig is om een orgel te laten klinken, ‘windladen’ waarop de orgelpijpen staan, heel veel ‘orgelpijpen’ verdeeld over ‘registers’, het ‘regeerwerk’ waarmee je een orgel kunt bedienen bestaande uit ‘toetstractuur’ en ‘registertractuur’ en een ‘orgelkas’ (of ‘orgelkast’) met aan de voorzijde een ‘orgelfront’ waar in de mooiste orgelpijpen staan.
Orgelbalkon: balkon waarop het orgel staat.
Orgelkas: kast van hout die rondom het orgel (instrument) staat, meestal mooi versiert (ook wel orgelkast genoemd).
Orgelmaker: ander woord voor orgelbouwer.
Orgeltrapper: iemand die vroeger (door te trappen) het orgel moest voorzien van lucht (orgelwind).

P

Pedaal: toetsen van een orgel waarop met de voeten wordt gespeeld.
Pijpen: alle onderdelen van het orgel die elk een eigen klank voortbrengen. Voor elke toon is er een pijp in een register.
Prestanten: orgelpijpen die vooraan (in het orgel) staan.

R

Register: een groep orgelpijpen van hoog tot laag, die wat klankkleur betreft bij elkaar horen.
Registerfamilie: groep (orgel)registers die bij elkaar passen (b.v.: prestantenfamilie, fluitenfamilie, strijkersfamilie en tongwerkenfamilie)
Registerknop: knop waarmee je een bepaald register ‘aan’ en ‘uit’ kunt zetten.
Rugwerk: afdeling in een orgel die zich achter de rug van de organist bevindt.

S

Sleep: lat met gaten die in een ‘sleeplade’ heen en weer geschoven kan worden en zo de openingen naar de orgelpijpen kan openen of afsluiten.
Sleeplade: onderdeel van een orgel: kist met smalle langwerpige vakken waar de orgelwind door kan stromen die (via de slepen) naar de orgelpijpen stroomt (zie ook: windlade).
Speeltafel: kast waarin zich een of meer toetsenborden (klavieren), het pedaal en de registerknoppen van een orgel bevinden: daar waar de organist op speelt.
Stellingwerk: (of raamwerk). Constructie van houten balken waaraan alle onderdelen van een orgel zijn bevestigd.
Strijkers: orgelregistergroep met strijkende orgelstemmen (zoals een viool, cello).

T

Tin: soort zacht metaal, dat soms vermengt met lood, gebruikt wordt om orgelpijpen van te maken (werd vroeger wel gebruikt voor kannen en bekers).
Toetsen: onderdeel van een orgel (of ander toets- instrument), het gedeelte waar de organist op speelt met zijn handen.
Tongetje: metalen plaatjes die in sommige orgelpijpen (tongwerk) zitten en door te trillen geluid maken.
Tongwerk: orgelregister dat met tongetjes werkt (zoals een trompet en een bazuin) om geluid te maken.
Torens: onderdeel van een orgel: (meestal) grote hoge (en smalle) kasten in het front van het orgel waarin de grootste pijpen van het front staan (bijvoorbeeld: ‘middentoren’, ‘pedaaltorens’).
Tremulant: een onderdeel van het orgel waarmee de lucht extra in trilling wordt gebracht. Hierdoor ontstaat een speciaal effect in het geluid.
Trompet: muziekinstrument waar je op blaast, ook: orgelregister dat het geluid van een trompet imiteert.

U

V

Ventiel: klepje dat de lucht tegen kan houden of toelaten (fietsventiel in een band of orgelventiel in een windlade van een orgel).
Ventilator: (elektrische) machine die lucht verplaatst (b.v. raamventilator, maar ook orgelventilator die in de plaats kwam van de orgeltrapper) (zie ook: windmachine)

W

Wellenbord: plaat met daarop gemonteerd latjes die de het indrukken van een toets via de abstracten overbrengen naar het ventiel van de pijp die wind moet krijgen.
Windkanalen: buizen of (houten) kokers waardoor de lucht (orgelwind) van een orgel stroomt.
Windlade:onderdeel van een orgel: kist met smalle langwerpige vakken waar de orgelwind door kan stromen die (via de slepen) naar de orgelpijpen stroomt (zie ook: sleeplade).
Windvoorziening: de technieken die in het orgel zijn aangebracht om het te kunnen voorzien van wind.

Z

Zwelkast :een zwelkast is een kast waarin bepaalde groepen pijpen zijn opgesteld. De organist kan tijdens het spelen luikjes in deze kast langzaam openen en sluiten. Daardoor hoor je het geluid harder worden (aanzwellen) en weer zachter worden.